Bloopers

Annelies Verbeke

Over de Auteur

© Wannes Nimmegeers

Annelies Verbeke (1976) werd bekend met haar succesrijke debuut Slaap! (De Geus, 2003), waarvan meer dan 70.000 exemplaren werden verkocht. Haar derde verhalenbundel Halleluja (De Geus, 2017), met begin en einde als bindend thema, stond op de shortlist van de ECI Literatuurprijs, en Verbeke won er de Cutting Edge Award mee, alsook de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Verbeke schrijft ook columns, filmscenario’s en theaterteksten: in 2018 maakte ze met acteursgezelschap Wunderbaum de voorstelling Daar gaan we weer (white male privilege), die gekozen werd voor het Theaterfestival. Eind 2019 verschenen drie theaterteksten van Verbeke in de bundel Theaterteksten bij De Geus.

anneliesverbeke.com

‘Maar behalve aan echte ziekten, lijden wij ook aan vele ziekten die enkel denkbeeldig zijn, en daarvoor hebben de doktoren denkbeeldige behandelingen uitgevonden.’
Jonathan Swift, Gullivers Reizen, 1726

(Voorlezen als een verhaaltje voor kleuters.)
(Mevrouw ligt op haar rug in de tuin. De muizen – negen zijn het er – praten in koor. Ze zitten naast haar en op haar borst en schouders.)

Muizen:        Dag mevrouw, wat kijkt u sip. Bent u ziek?
Mevrouw:     Nee, dat denk ik niet. Of misschien toch. Lam. Het lijkt wel of ik aan de tuin vast zit met mijn haar. Alsof er onzichtbare touwtjes over mijn lichaam zijn gespannen die mij aan de grond genageld houden. Letterlijk.
Muizen:        Ja, dat weten wij.
Mevrouw:     Doen jullie dat? Maak mij dan los! Het is zo heet vandaag. Ik verbrand.
Muizen:        Even geduld. Bent u droef of boos?
Mevrouw:     Allebei.
Muizen:        Waar is Meneer?
Mevrouw:     Weg. Ik weet niet waarheen of voor hoe lang. Misschien komt hij niet meer terug.
Muizen:        Waarom niet?
Mevrouw:     Hij is mij beu, denk ik. Of misschien heb ik hem verblind door woede in stukjes gehakt en begraven onder dat bloemperk daar of in zakjes verpakt in de diepvriezer gestopt.
Muizen:        O jee. Denkt u dat echt?
Mevrouw:     Nee. Dat hij mij beu is kan wel. Ik ben hem ook beu. En ook niet.
Muizen:        Waarom dan?
Mevrouw:     Hij is zo negatief. Hij denkt aldoor dat hij ziek is en soms is hij dat maar soms denkt hij het alleen, denk ik. En nu denkt hij natuurlijk dat hij het virus heeft. Als ik iets vertel hoort hij het niet of doet hij alsof. Iemand negeren is ook geweld! En ik ben hier niet de meid! Ik heb ook werk! Ik doe te veel alleen! En nu draait hij de dingen zo dat ze mijn schuld zijn! Ik krijg de rol van de heks! Ik mag hier niets meer zeggen of hij wordt kwaad! Hij voelt zich niet goed en werkt dat uit op mij!
Muizen:        Dat klinkt niet best. Gelukkig zijn wij hier.
Mevrouw:     Gelukkig? Voor jullie. Voor ons niet. We hebben vallen gezet en gif gelegd. Maar jullie zijn er nog.
Muizen:        Dat komt omdat wij geen echte muizen zijn.
Mevrouw:     Hoezo?
Muizen:        Het is maar een gedaante.
Mevrouw:     Wat zijn jullie dan? Of wie?
Muizen:        De Helpertjes.

(Mevrouw snuift en volgt zwijgend een overdrijvende wolk met haar vermoeide ogen.)

Mevrouw:     De Helpertjes? Zoals bij de cursus voor kinderen van het Rode Kruis?
Muizen:        Daar zijn wij niet van op de hoogte.
Mevrouw:     Ik ben gek.
Muizen:        Dat valt wel mee.
Mevrouw:     O, als pratende muizen het zeggen, dan is het vast waar!
Muizen:        Wij zijn geen echte muizen. Wij zijn de Helpertjes.
Mevrouw:     Prima. Ik moet maar weer eens aan het werk.

(Mevrouw tracht op te staan, maar slaagt daar niet in.)

Mevrouw:     Help! Help! Ik zit echt vast aan de tuin! Ik probeer nu heel hard op te staan!
Muizen:        Geen nood, het is niet voor altijd.
Mevrouw:     Maar hoe kan dat? Hoe doen jullie dat? Ik lig in de zon, ik verbrand! Over tien minuten verwacht mijn baas mij via Zoom!
Muizen:        Die kan wel even zonder u.
Mevrouw:     Waar gaan jullie heen?

(De muizen rennen het huis in. Mevrouw blijft waar ze is.
Ze kijkt naar de wolken. Een vrachtwagen. Een paard met een pet. Een vleermuis.
Ze kijkt naar de berk in de tuin, volgt de stam tot waar hij splits, kiest de linkerzijde tot waar die splitst en dat zo door tot de kleinste twijg. Het kalmeert haar wat.
Er strijkt een vogel neer met een noot, daar op die tak. ‘Tok-tok’ doet zijn bek tegen de schaal. Dat rood. O, het is een bonte specht, weet Mevrouw, plots verrukt. Dat is nog nooit gebeurd, hier in haar tuin in de stad.
Ze niest. De specht schrikt en vliegt weg, eerst laag boven de grond, dan omhoog, omhoog.
Stomme allergie, denkt Mevrouw. Nu is de bonte specht ook al weg.
Bij een achterbuur spuit een ruzie uit het raam. Een man en een vrouw schreeuwen naar elkaar. Een deur valt dicht, heel luid. Dan is het stil. Daar ook al, denkt Mevrouw. Ze kent die mensen niet. Maar ze snapt: we zitten elkaar op de lip.
En daar zijn de muizen terug. Mevrouw ademt lang uit, telt tot tien.)

Muizen:        Meneer is hier nog!
Mevrouw:     Ach zo. Waar is hij dan? Wat is hij aan het doen?
Muizen:        Hij ligt op de bank. Hij voelt zich niet goed.
Mevrouw:     Dat verbaast me niets.
Muizen:        Hij is ook kwaad.
Mevrouw:     Op mij?
Muizen:        Dat klopt.
Mevrouw:     En wat heb ik nu weer gedaan?
Muizen:        Hij zegt dat het een probleem is als hij zijn broer wil bezoeken.
Mevrouw:     Maar dat is niet waar!
Muizen:        Hij zegt van wel.
Mevrouw:     Ik zei: bel eerst eens! Hij wilde zijn broer verrassen. Ik dacht: het is geen goed moment daarvoor. Bel eerst eens, is al wat ik zei. Ik denk zelfs dat ik zei: bel misschien toch eventjes vooraf. Maar dat was blijkbaar al te veel. Mag ik hier niets meer zeggen dan? Zwijgzaam dienen, is het dat? We hebben heel hard geschreeuwd. Het leek wel een dui-vel-uit-drij-ving. Ik denk dat hij allergisch is aan mij. Dat hij snel zijn broer bezoekt, dan heb ik even rust!
Muizen:        Er is waarschijnlijk een soort machtsstrijd aan de gang. Dat komt veel voor. Jullie zijn niet uniek.
Mevrouw:     Dat kan. Maar ik wil de baas niet zijn! Ik wil harmonie!!!
Muizen:        O ja?
Mevrouw:     Waarom zo verwonderd!?
Muizen:        U bent wel heel luid en kijkt heel boos en heel dwingend voor harmonie.
Mevrouw:     Ja, nu wel!
Muizen:        Rustig maar.
Mevrouw:     Zeg dat niet! Niets maakt mij zo woest als dat!
Muizen:        Wat kunnen we voor jullie doen?
Mevrouw:     Weet ik veel. Ik heb toch niet om jullie hulp gevraagd?
Muizen:        Nee, niet letterlijk.
Mevrouw:     Hij wel?
Muizen:        Nee, ook niet rechtstreeks.
Mevrouw:     Wel dan?
Muizen:        Moeten we gaan?
Mevrouw:     Niet per sé. Het maakt mij niet meer uit wie er gaat of wie er blijft of waarom.
Muizen:        Dat is niet waar.
Mevrouw:     Wat?
Muizen:        Het maakt u wel uit.
Mevrouw:     Waar bemoeien jullie zich mee?
Muizen:        Wij zijn de Helpertjes.
Mevrouw:     Bliksem mij neer. Stop mijn hart. Dat helpt vast.
Muizen:        Dat is niet zo constructief.
Mevrouw:     Altijd die shit! Godv…
Muizen:        Als u vloekt verdwijnen wij!
Mevrouw:     Wat?
Muizen:        Zo werkt het nu eenmaal.
Mevrouw:     Zijn jullie van een kerk of zo?
Muizen:        Nee, hoor. Wij zijn de Helpertjes. Maar genoeg over ons.
Mevrouw:     Dat zou ik niet zeggen.
Muizen:        Het is ons om jullie te doen. Wij zijn de Helpertjes.
Mevrouw:     Jajaja. Help ons dan.
Muizen:        Werkt u mee?

(Weer een wolk. Mevrouw kijkt er zuur naar. Ach, wat klef, wat dubbelop. Het is wel degelijk een hart, maar geen perfect. De hemel heeft weinig goede smaak vandaag. En de zon steekt.)

Mevrouw:     In welke zin?
Muizen:        Antwoord gewoon. Houdt u nog van hem?
Mevrouw:     Niet altijd even veel, maar ja, ik wel, heel veel soms, hij denk ik niet meer van mij.
Muizen:        Alleen ja of nee.
Mevrouw:     Ja.
Muizen:        Van wat specifiek?
Mevrouw:     Hoezo?
Muizen:        Wat is jullie basis? Waar is het veilig?
Mevrouw:     O. Euhm. Hoe we de wereld zien. De verhoudingen tussen mensen. De gevoeligheden. De zwaktes. Wie zich meer voelt dan wie. Wie wat te kort komt. Wie waarbij nooit stilstaat en waarom. Wie probeert. Wie gezien wordt en wie niet. Naar wie wordt geluisterd. We zien dat op dezelfde manier. Dat had ik nooit eerder met iemand zo hard. En toch is er nu voortdurend conflict. Onze eigen machtsstrijd. En dat na elf, twaalf jaar. Wij hadden dat, harmonie. Die zijn we mooi kwijt. Hij trekt zich terug, hij zit voor bijna iedereen op slot, straks ook nog voor mij. Hij wil er zijn best niet voor doen. Hij heeft dat niet nodig, zegt hij. Kan best. Ik wel. Iets van compromis? Daar ging de ruzie ook over.
Muizen:        Laat de ruzie nu even los en keer terug naar die basis. Waar komt die op neer?
Mevrouw:     Het belangrijkste moet ik niet uitleggen aan hem.
Muizen:        Dat is heel wat.
Mevrouw:     Maar dat neemt dus niet weg dat ik hier wat ons betreft blijkbaar niets meer uitgelegd krijg en dat elk van mijn woorden wordt verdraaid. En ik heb hem over de jaren vind ik meer gedragen dan hij mij en als ik dan eens een lastige periode heb dan is het meteen te veel. Waarom zeg ik dat zo? Ik neem het weer op mij en ik voel mij de laatste maanden net heel goed, buiten dit, of toch goed. Hìj heeft een lastige periode, maar hij pakt zichzelf niet aan, hij schuift het op mij af. Dat vond ik vroeger zo fijn tussen ons: dat hij dat niet deed. Niet van die frustraties en strijd de hele tijd.
Muizen:        Los!
Mevrouw:     Ja, ja, het is goed. Nog vragen?
Muizen:        Hoe gaat het in bed?
Mevrouw:     Subtiel. Maar goed, dat gaat goed. En niet alleen de seks, het is nooit alleen dat volgens mij. Ik raak hem graag aan. Dat lijkt wederzijds. Ik vind hem nog steeds knap. Ik slaap graag naast hem, al snurkt hij vaak en krijgen we daar ook ruzie over. Hij doet mij mooi voelen. Hij meent wat hij zegt, dat voel ik wel. Maar dat kan ook stuk. Natuurlijk wel. Het is vast voorbij. Hij slaapt al een week op de bank.
Muizen:        Omdat zijn neus verstopt is en je hem duwt als hij snurkt.
Mevrouw:     O. Jullie hebben het erover gehad?
Muizen:        Ja.
Mevrouw:     Ik duw hem niet, ik draai hem op zijn rechterzij, dan houdt het op. Wat zei hij over de rest?
Muizen:        Hetzelfde ongeveer.
Mevrouw:     Ook dat van niets moeten uitleggen?
Muizen:        Min of meer. Hij mist de harmonie ook. Hij zegt ook dat je zijn woorden verdraait.
Mevrouw:     Het is vreemd hoe het gaat. Hoe het vloeit en dan hapert. En niet voor het eerst. We waren ziek van de liefde toen we elkaar ontmoetten, uitgeput en misselijk en bijna dood. We hebben elkaar genezen, onze lichamen eerst. En we praatten wat, tussen het elkaar genezen door. In het begin was alles wat hij zei zo juist. We hielpen elkaar zonder daarom te vragen. Ik heb me hier niet stapelverliefd in gestort. Sterk was ik toen wel, in mezelf. We leefden ook los van elkaar, maar het groeide snel en diep onder ons vel. En je gaat dan toch willen dat àlles zich verstrengelt soms en dan wil je dat weer niet en het kan hoe dan ook nooit helemaal en het is niet gauw genoeg, misschien. Liefde is het. Èn vriendschap. Of niet meer?

(De muizen wachten respectvol of er nog wat komt.)

Mevrouw:     Zeg het dan!
Muizen:         Wat?
Mevrouw:     Wat zei hij? Ja of nee?
Muizen:         Waarover?
Mevrouw:     Waarover?! Houdt hij nog van me of niet?
Muizen:        Ja.
Mevrouw:     O. Dat heeft hij gezegd?
Muizen:        Ja.
Mevrouw:     Letterlijk? Of ‘min of meer’?
Muizen:        We hebben het hem gevraagd en hij zei ja. We zouden niet aan deze missie zijn begonnen als dat niet zo was. Onze energie is ook niet eindig, al zijn we dan de Helpertjes.
Mevrouw:     Dus we gaan door, hij en ik?
Muizen:        Dat hangt van jullie af. Jullie moeten het wel zelf doen.
Mevrouw:     Kom niet af met werk, werk, werk! Ik word al moe bij voorbaat.
Muizen:         Misschien eerder ‘kiezen’ dan ‘werken’.
Mevrouw:     Mja. Hoe dan ook, ik kan momenteel weinig doen, ik ben met onzichtbaar touw vastgemaakt aan onze tuin.
Muizen:        Nee, hoor.

(Mevrouw heft voorzichtig haar hoofd op, dan haar armen.)

Mevrouw:     Ah. Oké. Ik ben los.

(Ze beweegt haar benen, gaat zitten, rekt haar armen en rug.)

Mevrouw:     Beetje stijf wel.

(Ze draait zich naar de muizen, maar die zijn weg.
Ze gaat staan, denkt: iemand moet het doen. Ze loopt naar de woonkamer, denkt: ik moet het weer doen. Ze hoort voetstappen haar kant opkomen, denkt: ah.
Ze kruist haar armen. Meneer zet zijn armen in zijn zij. Ogen.)

Mevrouw en Meneer: Dus?

Annelies Verbeke
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1