Gesprek over het huilen

Alejandro Zambra

Over de Auteur

© Alexandra Edwards

Alejandro Zambra (1975) wordt beschouwd als een van de belangrijkste Latijns-Amerikaanse auteurs van dit moment. Hij is de schrijver van onder andere de romans Manieren om naar huis terug te keren (Uitgeverij Karaat, 2012), Bonsai – Het verborgen leven van bomen (Uitgeverij Karaat, 2015), de verhalenbundel Mijn documenten (Uitgeverij Karaat, 2015). Zijn werk werd in meer dan tien talen vertaald en is bekroond met meerdere internationale prijzen, waaronder de Nederlandse Prins Claus Prijs 2013 voor zijn hele oeuvre. Zambra’s kortere werk verscheen in tijdschriften als The New Yorker, Paris Review en Das Magazin. Hij woont en werkt in Mexico-Stad. In 2018 trad hij op tijdens het International Literature Festival Utrecht.

Laten we spelen dat we ons voor het virus verstoppen, papa, zegt mijn zoon van tweeënhalf. Normaal gesproken verstopt hij zich en zoek ik en draaien we het vervolgens om, al spelen we sinds kort ook dat we ons allebei verstoppen voor en samen op zoek gaan naar – en daarbij hun vaste plek even volkomen negeren – zijn knuffellama Fabio, zijn knuffelhert Fabio of zijn knuffelgiraf Fabio. (Een paar weken geleden besloot hij namelijk dat al zijn knuffels voortaan Fabio zouden heten.) Maar nu wil hij dat we ons verstoppen voor het virus.
Ik heb hem al vaak verteld over zijn geboorte, het exacte moment waarop hij uit de buik van zijn moeder kwam. En daar stond ik, vertelde ik, en nam je in mijn armen, jij huilde niet, maar ik wel, ik moest heel hard huilen. Ik wilde het met hem hebben over huilen, probeerde uit te leggen dat we soms ook van emotie kunnen huilen. In die tijd hadden we het vaak over huilen en lachen. En omdat hij goed was in het nabootsen van dierengeluiden, maakten we het een graadje moeilijker en begonnen we het gelach en het gehuil van de dieren na te bootsen. Hoe lachen honden? Hoe huilen paarden? Hoe lachen poezen? Enzovoorts.
Daar stond ik, zei ik, en nam je in mijn armen. Wanneer ik het over zijn geboorte had, keek mijn zoon me ernstig aan, sereen, geconcentreerd, maar op zijn gezicht school ook de belofte van een toekomstige schaterbui. Op een ochtend, bij het ontbijt, terwijl we onze gesprekken over het huilen en het lachen vermengden met onze gesprekken over de namen van wezens en dingen, zei hij tegen zijn moeder: ‘Toen ik geboren werd, moest mijn papa huilen, maar van emotie. En daarna kalmeerde hij en vroeg hoe ik heette.’
‘En toen heb je hem dat verteld?’
‘Ja.’
‘Jij wist meteen bij je geboorte al hoe je heette?’
‘Ja.’
Ik vind het mooi dat hij denkt dat hij bij zijn geboorte al sprak en dat hij zelf zijn naam gekozen heeft. Voorheen hadden zijn nieuwe knuffels al een naam wanneer hij ze kreeg, en bijna altijd was ik de aangewezene om die te verzinnen: varkentje Piggelmee, pinguïn Heethoofd, giraf Rafalópez of olifantje Johnfante. Maar al snel nam hij de touwtjes in handen bij het kiezen van namen en de eerste weken koos hij voornamelijk bekende namen, of beter gezegd echte namen of namen die officieel als naam gebruikt werden, maar vervolgens begon hij ze te verzinnen en opeens waren daar vreemde, moeilijk te onthouden namen, schijnbare onomatopeeën uit Europese talen, als Plilnp of Chifn, of verzinsels die wel Náhuatl klonken, als Tlulpit of Tlepot.
Wat zijn eigen naam betreft, wanneer hij die in zijn geheel opzegt, gebruikt hij de twee achternamen van zijn moeder en zelfs de achternaam van moederskant van zijn grootmoeder van moederskant: Silvestre Zambra Barrera Velázquez Gutiérrez. Mijn zoon kan in de loop van één dag meerdere keren van naam veranderen, maar het zijn personages, dat is duidelijk. De beslissing om voor zijn oude knuffels nieuwe namen te verzinnen veronderstelt een stabielere, definitieve of voorlopig definitieve verandering.
Vanochtend, toen hij uitgekeken was op mij zoeken of door mij gezocht te worden, gingen we lama Fabio, hert Fabio of giraf Fabio zoeken. Wij moesten zoeken, ons voor hen verstoppen had geen zin, want – al deden we alsof het niet zo was en vermeden we het onderwerp met enige vorm van bijgeloof – de knuffels waren dood, of beter gezegd: ze leefden niet, ze hadden nooit geleefd. En toch stelt mijn zoon me nu voor dat we ons voor het virus verstoppen, want voor hem is het virus levend; het is dan wel niet zichtbaar, het praat dan wel niet, het leeft. Daar zitten we dan, onder de tafel, een hele minuut lang. Mijn zoon lacht en laat me daarbij zijn perfecte melktandjes zien, en ik probeer ook te lachen maar ik ben verlamd van angst.

Alejandro Zambra
Vertaald door Luc van Rooy
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1