De toekomst van de toekomst

Hagar Peeters
Over de Auteur

© Robin de Puy

Hagar Peeters (1972) brak door dankzij een optreden op het Double Talk-festival in 1997, waarna ze nog voordat ze had gepubliceerd optrad tijdens De Nacht van de Poëzie en Crossing Border. Ze debuteerde in 1999 met de dichtbundel Genoeg gedicht over de liefde vandaag (Uitgeverij Podium). Na zo’n acht succesvolle dichtbundels verscheen in 2015 haar alom geprezen debuutroman Malva (De Bezige Bij). Haar laatste bundel De schrijver is een alleenstaande moeder (De Bezige Bij, 2019), is het eerste deel van een drieluik waarin zij de verhouding tussen schrijverschap en alleenstaand moederschap onderzoekt. 

Er waren gaten in de toekomst gevallen. Grote gaten waar soms een worm doorheen kroop op weg naar een volgende dimensie. De mensen hielden zich schuil achter het fabricaat van het universum dat nog restte, een tentzeilachtige stof, daar verstopten ze zich zo goed en zo kwaad als dat ging in de overgeschoten stukken die nog geen gat waren geworden, in de hoop niet op te vallen. Niemand sprak meer. Men hield zich vooral bezig met de eigen gedachten, die werden aangespoord door de geluiden die via zenders en oortelefoons de gehoorgang in werden geloodst. Er heerste een stilte dieper dan op een zondag van lang geleden; een autoloze, of die tussen de kerkgangen.
Contact was steeds moeilijker geworden en ten slotte opgehouden te bestaan. De kinderen waren aan zichzelf overgeleverd en werden grootgebracht met aansporende geluiden die via de eigen oortelefoons instructies gaven. Er waren enkele programmeurs die de geluiden en hun inhoud voor hun rekening namen. Niemand kreeg hen ooit te zien. Slechts hun stemmen kwamen zo nu en dan door de oortelefoons, en zij vertelden de kinderen en de volwassenen over het leven dat aan het hunne voorafging, over de tijd dat de aarde nog vol leven was. Zij vertelden hoe mensen elkaar in vroeger tijden hadden vastgehouden, liefgehad, voordat het coronavirus en alle daarop volgende pandemieën daar een einde aan hadden gemaakt.
De stemmen vervolgden dat het fysieke contact niet altijd prettig was geweest: de voorouders hadden elkaar weliswaar veel liefgehad, maar ze hadden diezelfde mogelijkheid tot aanraking ook dikwijls misbruikt om elkaar te pijnigen. Het lichaam was broos en kwetsbaar, de kennis daarvan, proefondervindelijk verkregen, werd moeiteloos ingezet om de gevoeligheid en broosheid van de anderen aan te grijpen om dezen te treffen waar dit het beste kon. Zo kregen de voorouders gedaan wat ze wilden bij anderen die dit eigenlijk uit zichzelf niet wensten: bekeringen, toetredingen, toelatingen, gemeenschap in iedere betekenis van dat woord – onvrijwillig, maar niettemin vond het plaats. De onwil was niet voldoende, nooit, om dit te voorkomen. Zodoende hadden de mensen in het fysieke tijdperk elkaar veel leed berokkend, en het was een gevolg van de pandemieënperiode dat hier een einde aan kwam, waarmee elke vorm van fysiek misbruik en dwang verdwenen was, een zegen!
Al die aanrakingen: ze brachten ziekten over, deden pijn, waren dikwijls uitingen van fysiek geweld. De stemmen repten verder van vierendelen, radbraken, spijkerbedden, villen, verkrachtingen, oorlogen en slavernij. Zij spraken van de geselingen, ook van geestelijken bij zichzelf, en van de lijfstraffen die in het strafrecht nog lange tijd waren toegepast, en daarna nog een hele poos door ouders om hun kinderen onder de duim te houden; zoals ook door mannen om hun vrouwen, bazen hun arbeiders, slavenhouders hun slaven, pooiers hun hoeren, klanten hun hoeren, racistische witte politieagenten hun zwarte arrestanten en nazi’s joden het zwijgen op te leggen. Denken dat het met de tijd beter zou worden, bleek slechts een illusie: geweld was onontkoombaar zolang er nog fysiek contact tussen mensen bestond. Het bleek eenvoudigweg niet uit te bannen. Het lukte alleen door in zijn geheel met ‘de fysicaliteit’, zoals men het noemde, te stoppen. Dankzij de pandemieën had de mensheid zich tot een volgende fase ontwikkeld: die van de geest.
In het begin van de overgangsperiode was er veel lijden. ‘Huidhonger’ heette het. Isolement, eenzaamheid. Maar dat was een kwestie van wennen. Na verloop van tijd was iedereen tot de conclusie gekomen dat het zo beter was: het was prettig zich niet langer te hoeven conformeren aan de wensen en de verwachtingen van anderen. Het was heerlijk dat de eigen tijd niet meer onderhevig was aan de invulling die anderen daaraan wensten te geven. Het was verrukkelijk om op zichzelf teruggeworpen te zijn en met de geest af te reizen naar de oorden die men daar, in het geestelijke, wilde aandoen. Er waren enkele praat- en denkinfluencers die handig inspeelden op de eenzijdige gerichtheid van de nieuwe mens op de stemmen die via de levende stromen te beluisteren waren: de digitale transportatie van klank nam een hoge vlucht, men luisterde ieder voor zich met eigen apparaten naar zieners, goeroes, voorspellers en healers; men viel in slaap bij de stem van het slaapmedium of volgde masterclassen bij de genieën van de wereld, die hun lessen voortaan virtueel gaven vanuit alle hoeken van de aardbol, en men kon te rade gaan bij wie men maar wilde. Er was geen onderscheid meer tussen degenen die onderwijs genoten en naar de universiteit konden, en degenen die daarvan verstoken bleven; alle lessen waren openbaar, virtueel en vrij toegankelijk. Met de verdwijning van het fysieke verdween ook alle betaalde handarbeid: de mens leerde weer alles zelf te maken wat hij nodig had om te overleven. Hij leerde zelf repareren wat kapot was, eigen kleding vervaardigen, gewassen telen, voedsel bereiden. En daardoor verkeerde eenieder in deze totaal individueel autarkische toestand.
In het verleden waren er dikwijls al autarkisch staten geweest, zoals in het Cambodja van Pol Pot, in het streven van nazi-Duitsland na 1933, bij de Socialistische Volksrepubliek Albanië en in Noord-Korea. Ook was dit het samenlevingsmodel bij diverse sektes, zoals de Orde van de Zonnetempel en de Branch Davidians in Waco, Texas. Deze waren allemaal ontstaan vanuit de paranoia van een beperkte gemeenschap tegenover de rest van de wereld. Nu, in het geestelijke tijdperk, was het verregaande autarkisme tot de kleinste eenheid teruggebracht: die van het individu. De vergevorderde staat van ontwikkeling in de geest had dit mogelijk gemaakt; men was immers niet langer fysiek van anderen afhankelijk, waardoor het smeden van sekten en gemeenschappen overbodig was geworden.
Tussen ras, sekse, leeftijd en elke andere fysiek onderscheidbare categorie, bestond geen discriminatie meer, nu het collectieve leven met zijn vergelijkingen en verschillen was weggevallen. Elk mens leefde uitsluitend nog voor het universum; niet langer voor de anderen of voor zichzelf. Hij had geleerd hoezeer zijn gedachten van invloed kunnen zijn op het verloop van de gebeurtenissen, hoezeer het fysieke door het denken wordt gedreven, en daarom legden de aardbewoners zich er voortaan op toe hun gedachten alleen nog aan te wenden voor positieve krachten, die via de krachten en energieën van het universum uitsluitend datgene zouden aantrekken wat zij ook maar verlangden.
Eenzaamheid werd niet langer gevoeld, nu de zelfcensuur jegens negatieve gevoelens zo sterk was geworden dat men deze noodtoestand van het gemoed had weten uit te bannen. Hetzelfde gold voor alle andere behoeften aan de aanwezigheid van anderen. De gedachte dat de mens een sociaal wezen was, werd als een achterhaalde veronderstelling verworpen. In het evolutieproces was de mens steeds minder sociaal geworden, dit was onderdeel van zijn ontwikkeling naar een nieuwe dimensie. Hiertoe aangespoord door de spraak- en denkinfluencers waren mensen nooit meer eenzaam, want zij omringden zich in gedachten met hun beschermengelen, geleidegeesten, hogere zelven en astrale gidsen; hun ziel was niet alleen hun ziel maar ook hun zielenmaat geworden, alsof deze zich verdubbeld had, en zich in tweeën had gesplitst, en eenieder was blijmoedig en vreugdevol, en betoonde zich diepgaand geïnspireerd door het leven.
De paradox was dat het leven alleen kans van leven had als men zich terugtrok uit dat leven: aan de vervuiling en de opwarming van de aarde kwam een einde, propageerden de stemmen. De aarde bloeide en groeide als in de tijd van vóór de Industriële Revolutie. Uitgestorven diersoorten keerden als bij mirakel weerom. De aarde was het schone decor voor de er tijdelijk op verblijvende mensenbevolking, die niet meer van haar nam of stal, maar enkel nog van haar leende. Nooit meer dan zij nodig had, wat maar weinig was, nu het fysieke was afgeschaft.
Men bekommerde zich niet meer om mode of manieren nu men geen sociaal verkeer ambieerde; men bena-ijverde zijn buurman niet langer, nu men genoeg had aan zijn eigen diepe individuele verbondenheid met de universele liefde van de kosmos, en men was vredig en rustig in zichzelf en zonder verwarrende verlangens.

Het addertje onder het gras kwam aan het licht wanneer een ander in moeilijkheden raakte, ziek was of hoe dan ook hulp nodig had. Wanneer een ander verdriet had, ondanks het feit dat hij zijn verdriet had afgezworen en zijn geest meester kon laten zijn over zijn zwakten en pijn. Die omstandigheden waren er, zij waren onvermijdelijk maar men had er geen antwoord op. Zij waren onontkoombaar, aangezien mensen nog altijd een lichaam hadden, sommigen waren zelfs van mening: een lichaam waren, en daardoor werden zij nog altijd ziek, raakten gewond, en gingen uiteindelijk dood.
Men – dat wil zeggen, de ander op wie de noodlijdende een beroep wilde doen – had altijd goede excuses om dan niets te hoeven doen; ieder was immers tot zichzelf veroordeeld. In goede en in slechte tijden, zowel bij voor- als tegenspoed diende men het alleen te rooien, tot de dood de ziel en de hogere ziel zou samenbrengen, amen. Tussentijdse inmenging in andermans zaken, bemoeienissen met anderen om wat voor reden dan ook, was ongepast en ongewenst. Zo was het ook in de fysieke natuur geweest, lang geleden: wie niet mee kon komen, werd achtergelaten om de groep niet te vertragen. Soms moest een individu opgeofferd worden voor de groep. Dat er nu geen groep meer was, maar enkel nog individuen, deed niets af aan dit principe: men kon een ander niet tot last zijn, men kon geen aanspraak maken op de belangstelling van anderen, men mocht geen inbreuk maken op de privacy van een ander en diens recht met zichzelf alleen te mogen zijn; wie het alleen niet redde wegens ongeval, ziekte, zwakte, ouderdom of prille jeugd, was de sigaar. Dat was nu eenmaal zo. Het was de prijs die men betaalde voor de beëindiging van het fysieke: niet alleen het fysieke geweld en de fysieke vreugde tussen mensen werden opgeheven; ook de fysieke hulp en betrokkenheid verdwenen. Dat er zodoende een nieuwe tweedeling ontstond, was onontkoombaar: nu niet tussen arm en rijk, hoog- en laagopgeleiden of tussen machthebber en machteloze, maar tussen zelfredzamen en behoeftigen, waarbij de zelfredzamen vanzelfsprekend de sterken waren en de behoeftigen de zwakken.
De zwakken trokken zich daarom terug uit, wat zij noemden, de Onderneming van Onverbondenen, en stichtten opnieuw hun eigen samenlevingsverbanden. Daarbinnen hielpen zij elkaar want dankzij de ongelijke verdeling van talenten waren zelfs de zwakken soms nog sterk op een gebied waarop andere zwakken zwak waren, en vice versa. Zo deden zij het oude gezegde ‘de lamme leidt de blinde’ eer aan. Het is uit deze samenlevingsverbanden dat later de civilisatie van de homonieten ontstond; ofwel: de gelijken, want de sterkte van de één compenseerde de zwakte van de ander, waardoor zij uiteindelijk als gemeenschap allen gelijk waren. De erkenning van hun zwakheid en de redding door anderen, de dankbaarheid voor hulp en medemenselijkheid, ervoeren de homonieten naast hun in het tijdperk van de geest ver ontwikkelde onafhankelijkheid en autonomie. Juist deze combinatie bleek het vruchtbaarst voor het voortbestaan van de mensheid: zij verloren het contact met hun menselijke, fysieke, aardse wortels niet, maar hielden ook voeling met de scheppende geest van het universum, en zij ontwikkelden een filosofie waarin beide niet los van elkaar gezien en beleefd konden worden. Uit hun gelederen ontpopte de zesjarige doofstomme Perkamsanesha Arwasawi zich tot belangwekkend wijsgeer. Zij adapteerde de invloedrijke rechtvaardigheidstheorie van John Rawls. Binnen hun beperkte gemeenschap namen de homonieten alle voorzorgsmaatregelen die nodig waren om besmetting tegen te gaan, en binnen deze afgebakende ruimte genoten zij alle vrijheid die de mensheid zich in het tijdperk van de geest sinds lang ontzegd had: zij dansten en feestten en vrijden er lustig op los. Ze dronken en ruzieden en maakten plezier. Ze uitten hun gevoelens en konden bij verdriet, zonder zich daarvoor te hoeven schamen, bij elkaar aankloppen, en zowel getroost worden als troosten.
De plekken waarin zij hun gemeenschappen stichtten, noemden zij ‘kloosters’, naar de mystieke ruimten uit het fysieke tijdperk – maar waren de kloosters destijds oorden van ascese en verzaking van het wereldse geweest, in deze kloosters gebeurde precies het tegenovergestelde: het waren eilanden van levendigheid in een wereld die doordrongen was van onthouding, en die uiteindelijk juist daaraan te gronde ging.

Hagar Peeters
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1