Een tweede kans

Lize Spit

Over de Auteur

© Keke Keukelaar

Lize Spit (1988) studeerde scenarioschrijven aan het RITCS in Brussel en won in 2013 de schrijfwedstrijd Write Now!. Ze schreef gedichten en korte verhalen voor onder meer Het Liegend Konijn, De Gids en Das Magazin en heeft een wekelijkse column in de Vlaamse krant De Morgen. Het Smelt, haar debuutroman, verscheen in 2015 bij Das Mag Uitgevers en leverde haar De Bronzen Uil voor het beste Nederlandstalige debuut, de Hebban Debuutprijs, en de Nederlandse Boekhandelsprijs op.

lizespit.be

Bea had de website van de praktijk zelf via Google gevonden. Het aanvraagformulier voor een consultatie bestond uit een vakje waarin je je mailadres moest invullen (verplicht), een selectieveld waar je uit beschikbare data kon kiezen (verplicht), en een kader waarin je met maximaal vijfduizend tekens toelichting over je situatie kon geven (niet verplicht). Ze had voorgelezen aan Fred wat ze in het kader getypt had voor ze het had opgestuurd, als bewijs dat ze hem niet probeerde zwart te maken, dat de therapeut geen rechter was bij wie ze haar gelijk zou willen aanvechten – dat was zijn voorwaarde geweest om aan deze sessie deel te nemen, dát, en dat zij nuchter zou zijn tijdens het gesprek.
‘Mijn man Fred en ik (volgend jaar veertig jaar getrouwd, drie dochters (39, 36 en 32 jaar en dus reeds het huis uit)) zouden na de lockdown een gesprek willen voeren met professionele begeleiding.’
‘Zestig euro voor vijftig minuten, dat is meer dan een euro per minuut. Het is te hopen dat je de juiste hebt uitgekozen. Ik ga er geen tien verschillende afschuimen, dan is een scheiding goedkoper.’
Zijn opmerking raakte haar niet. Al die keren dat hij aan de rand van haar bed had gestaan ’s nachts, met de boodschap dat hij van haar zou scheiden, om dan ’s ochtends – eenmaal ontnuchterd – toch gewoon twee ontbijtbordjes te pakken en er met geen woord meer over te reppen: zolang ze wat hij meende niet serieus kon nemen, kon ze om zijn grapjes ook niet lachen.
‘Ik leg het nú vast,’ had Bea gezegd.
Heel even had ze zich moeten beheersen, om er niet alsnog een lap tekst aan toe te voegen – de therapeut in te werken in hun miserie – zodat ze straks niet tegenover haar zouden zitten en alles weer zouden kunnen minimaliseren. Maar vijfduizend tekens, daar zou ze niet mee toekomen, zelfs niet voor een eenvoudige opsomming van alles wat er in de relatie verkeerd zat.

‘Vertel eens, meneer, wat verwacht jij van dit gesprek, wat is de vraag waarmee jij hier komt?’ De therapeute heeft een mondmasker aan, dat ze pas afneemt nu ze veilig op haar eigen stoel aan de andere kant van de kamer zit.
Het doet Fred zichtbaar deugd dat de therapeute de eerste vraag aan hem richt.
Bea gunt haar man het eerste woord, en dat ze hem zoiets nog kan gunnen is een goed teken, het is de hoofdreden waarom ze hier zitten. Soms zou ze willen dat ze hem simpelweg haatte, dat zou het makkelijker maken, dan kon ze terwijl hij een film keek met iets zwaars op zijn hoofd kloppen. Ze zou in een cel belanden; maar daar kon ze dan ongestoord heel de dag boeken lezen, zonder de televisiegeluiden op de achtergrond. Het lastige was niet dat voortdurende geluid – dat had ze na al die jaren leren negeren –, wel dat hij elke avond opnieuw vroeg waarom ze haar boek niet weglegde en gezellig meekeek, en haar dan toch de film van begin tot einde in geuren en kleuren begon uit te leggen, omdat hij zich niet bij haar afwijzing kon neerleggen.
De therapieruimte ruikt naar ontsmettingsmiddel. Op het tafeltje in het midden staat een tube handgel. Bea was niet van plan te huilen, toch ontbreekt in deze setting de doos zakdoeken.
Fred wrijft met zijn handen over zijn uitpuilende buik, terwijl hij nadenkt wat hij gaat zeggen. Tijdens de lockdown is hij na vijfenveertig jaar te hebben gepaft als een schoorsteen eindelijk met het roken gestopt. Een prestatie die zowel bewondering als irritatie wekt, ze moet haar beeld van hem plots aanpassen, hij is niet langer de tamme kloot die nooit eens iets volhoudt. Nu moet zij iets terugdoen, ook iets volhouden.
‘Mijn vrouw wilde graag in relatietherapie, en tja, ik ben haar relatie,’ besluit Fred. Het klinkt als een conclusie bij een heel stel gedachten die hij niet hardop heeft willen uitspreken.
De therapeute heeft een notitieboekje vast, draagt een multifocale bril, waardoor haar oogbollen steeds heen en weer schakelen tussen de twee zones. Dat ze de leeftijd heeft van hun jongste dochter, daar moet zowel Fred als Bea zich met lichte schaamte overheen zetten. Bea kan het aflezen aan Freds houding, ze kent hem goed genoeg, ze weet precies dat hij nu ook aan die brief van tien jaar geleden denkt.
‘En waarom mevrouw, heb je precies nu een afspraak gemaakt? Wat was het punt waarop je dacht: nu gaan we hulp zoeken, voor het eerst in veertig jaar? Heeft dat specifiek met de lockdown te maken?’
‘We zijn al eens eerder met iemand gaan praten,’ zegt Bea. ‘Nadat een van onze dochters ons daartoe verplicht had.’
De ogen van de therapeute die over de blocnote heen priemen, ze hebben dezelfde strengheid als die van Klaartje. Tien jaar geleden had Klaartje, ook in de naam van haar twee oudere zussen, een brief geschreven aan haar ouders. Ze had hem in drievoud afgedrukt en aan elk van haar ouders een exemplaar overhandigd, zodat ze konden meekijken terwijl ze alle woorden hardop voorlas. Bea had willen weten wat haar te wachten stond en was vooruit gaan lezen, ze wist al op welk ultimatum de brief zou afstevenen, en toen haar dochter het ultimatum uiteindelijk voorlegde, hoorde ze het bijna niet.
‘En hoe liepen die gesprekken toen, mevrouw?’
‘Zeg maar Bea. Het liep niet, we zijn er niet mee verdergegaan na een verkennend gesprek.’
‘Ja, zeg het maar, het lag aan mij.’ Fred wordt al driftig bij de mogelijkheid op een verwijt. Hij is koppiger dan zij. Zij heeft twee keer een opname in een ontwenningskliniek ondergaan, en oké, ze is telkens na een paar maanden hervallen, maar Fred heeft zijn drankprobleem gewoon nog steeds niet erkend, omdat dat hem het recht zou ontnemen op haar neer te kijken.
De kamer bevindt zich op de vijfde verdieping. De grote ramen kijken uit op het station, op spoorwegen met een wirwar van wissels. Er rijden voortdurend treinen langs. Bea probeert elke keer op voorhand te voorspellen op welk spoor ze uiteindelijk terecht zullen komen. Soms naderen ze uiterst rechts, maar belanden ze binnen luttele seconden aan de linkerzijde, moeiteloos, zonder te ontsporen, het is jaloersmakend.
Tussen de stoelen van Fred en Bea zit slechts anderhalve meter, de therapeute zelf zit verder weg, op meer dan drie meter van hen vandaan. Die drie meter is een teleurstelling, nu heeft Bea toch nog het gevoel met Fred in hetzelfde team te zitten. Het liefst zou ze hier zwijgend vijftig minuten doorbrengen, op afstand, en dat er iemand was die de wapenstilstand tussen hen waarnam. Al die berichten in de media, over moeilijke gezinssituaties die tijdens zo’n lockdown alleen maar verder ontspoorden, ze dacht daarbij nooit aan haar eigen situatie, ze had nog nooit iemand over haar leed verteld, ze telde niet mee in de statistieken.
‘Geen probleem, in individuele therapie kan het ook een tijdje duren voor men een geschikte therapeut tegenkomt. In relatietherapie is het nog moeilijker, dan zijn er meerdere partijen die het gevoel moeten hebben dat er een klik is.’
Ze knikken tegelijkertijd.
De therapeute schakelt terug naar haar blocnote, noteert iets, kijkt weer op. ‘Hoe hebben jullie de afgelopen weken ervaren? Zullen we daarmee beginnen?’
Het lijkt alsof ze de vraag enkel ter opwarming stelt, maar Fred neemt meteen uitvoerig het woord. Tien minuten lang – meer dan tien euro aan spreektijd – vertelt hij wat ze deden tijdens de lockdown, wat hij de moeilijkste momenten vond. Hij praat in de derde persoon over Bea, zonder haar aan te kijken. Fred gaat voor de makkelijke, onschuldige informatie, de voor de hand liggende dingen. Dat Bea normaal gezien parttime in het cultuurcentrum werkt, maar dat ze op technische werkloosheid werd gezet. Hij was zelf sinds kort met pensioen, had thuis nog geen routine, hij had maar moeilijk zijn draai gevonden, hij was begonnen met de montage van een modelbouwvliegtuig. ‘We hebben thuis te weinig tafels om allebei ons ding te kunnen doen,’ besluit hij. ‘Normaal doen we veel aan cultuur. Er zijn mensen die drie keer op reis zouden kunnen gaan met het budget dat wij jaarlijks aan cultuurbezoekjes spenderen. Maar elke week waren er weer exposities en voorstellingen afgelast. Normaal is dat onze manier om eens zonder ruzie samen te kunnen zijn, geen focus op elkaar maar op acteurs, beiden ergens in opgaan.’
‘Als jij niet weer eens in slaap valt.’
Bea wordt meteen door de therapeute gecorrigeerd. ‘Geen verwijten’.
‘En jij Bea, vertel jij eens iets. Een inkijkje in hoe jij de lockdown hebt ervaren.’
Freds blik kruist de hare in de brilglazen van de therapeut.
Mocht iemand vragen hoe haar huwelijk was, zou Bea onmogelijk kunnen antwoorden, het duurt reeds zo lang, het is een opeenstapeling van verkeerde wissels, maar binnen het afgebakende kader van de afgelopen paar weken schieten haar meteen alle momenten te binnen die ze moeilijk heeft gevonden.
Ze houdt het kort, vertelt niet hoe de dingen plaatsvonden maar gewoon dat ze plaatsvonden, ze haalt er een genoegen uit bondig te zijn over de moeilijkste gebeurtenissen, alsof ze deze, zonder al te veel verdriet, toch geklasseerd krijgt.
Het dagelijkse geruzie. (‘Waarover?’ Vaak over hetzelfde: ze heeft zonder zijn medeweten een abortus ondergaan in het jaar voordat ze getrouwd waren, daar betaalt ze nu al haar hele leven een prijs voor, ook al is die abortus inmiddels zo lang geleden dat zij de vrouw die ze toen was zelf ook niet meer begrijpt, en toch doorstaat ze nog elke avond alle dronken verwijten. In de lockdown was het erger.)
Dat zij het ruziën meestal als eerste opgaf, naar haar bed ging (‘naar bed gaan? Kruipen, ja!’) en dat Fred dan nog uren wakker bleef, woedende mails typte met daarin opsommingen van alles wat zijn omgeving hem ooit had aangedaan, mails die hij naar zijn hele adresboekje stuurde, waarop nooit iemand reageerde. Dat hij meestal verongelijkt in slaap viel in de zetel, en pas naar bed ging als zij hem wekte bij het opstaan. Soms vond ze geprinte pagina’s op de ontbijttafel, analyses van wat er mis was met haar.
Dat Fred eenmaal bij haar was weggelopen, maar na een uur of vijf toch weer voor de deur stond, omdat geen van de dochters bereid was geweest hun vader in huis te ontvangen. Ze was teleurgesteld dat hij zo snel terug was, dat hij niet op zijn minst één persoon had kunnen vinden bij wie hij in hoge nood een nacht kon blijven. Ze waren werkelijk op elkaar aangewezen.
Terwijl ze praat, alles klasseert, denkt ze nog steeds aan de allereerste vraag, die onbeantwoord in de ruimte hangt. Wat was eigenlijk het exacte punt waarop ze dacht: nu gaan we na veertig jaar hulp zoeken? De vraag hing er nog steeds, omdat ze het antwoord al geformuleerd had.
Het was niet – zoals Fred dacht – omdat ze op handen en knieën naar bed was gekropen en hij geroepen had: dit is de bodem. Want uit al hun geruzie putten ze beiden nog een genoegen, zolang ze dronken genoeg waren en ze zichzelf voorhielden dat de vierde wand uit publiek bestond.
Het had aan iets anders gelegen.
De eerste jaren nadat de kinderen uit huis gingen, had Bea ze niet om vergeving gevraagd, ze had geen pogingen gedaan het goed te maken met hen. Ze had ook geen gehoor gegeven aan de hardop voorgelezen brief, was niet minder gaan drinken, omdat ze haar dochters nu net duidelijk wilde maken dat het nooit een keuze was geweest, tussen de drank en het moederschap – zo werkte een verslaving nu eenmaal, het had niets met kiezen te maken. Ze had de consequenties aanvaard, ze had haar straf zonder geklaag uitgezeten, ze had nooit aangedrongen om hun kot te mogen bezoeken; ze was nooit onaangekondigd komen opduiken op hun proclamaties, op trouwfeesten of aan de deur van hun nieuwe woningen. Ze had enkel een paar keer per jaar een vriendelijk postkaartje gestuurd.
Stilletjes had ze haar hoop gezet op de komst van kleinkinderen. Zo had ze het bij kennissen en buren gezien: kinderen die zelf gezinnen stichtten kwamen plots tot mildere inzichten ten opzichte van hun eigen ouders. Bea had het tenslotte zelf meegemaakt; ze had haar afwezige moeder de kans gegeven uit te groeien tot een verdienstelijke grootmoeder. Maar er kwamen geen kleinkinderen, er kwam geen tweede kans, er kwam slechts af en toe een lauwe reactie op een van haar postkaartjes.
Toen drie maanden geleden de lockdown inging, de crèches en scholen sloten, de speeltuinen in parken met rood-wit lint werden afgezet, ontstond er een nieuwe samenleving. Grote families vielen uiteen in bubbels, mensen maakten zich zorgen om eenzame ouderen, er werden nieuwe manieren verzonnen om toch met elkaar in contact te komen en te blijven, er was sprake van een algehele, ongekende mildheid. Er was geen gebrek aan een gespreksonderwerp – iedereen worstelde toch min of meer met hetzelfde. De wereld paste zich in mum van tijd aan de omstandigheden aan. In bijlages van kranten strooiden ze met tips voor uitstappen die je met het gezin kon maken; supermarkten afficheerden op grote panelen ‘bubbels voor jou en je bubbel’; op de televisie verschenen reclamespotjes van telecomgiganten waarin gezinnen via videochat een brunch hielden, mensen online een trouwfeest volgden, een grootmoeder bedtijdverhaaltjes voorlas aan haar kleinkinderen via de iPad. Iedereen begon te zoomen, te chatten, te bellen, te facetimen, en deelde op sociale media screenshots van dat contact om te tonen dat het had plaatsgevonden.
Bea was gaan wachten op een telefoontje of een chatverzoek. Drie maanden had ze gewacht. De enige verzoeken die ze kreeg, was of ze wilde meekijken naar belabberde televisiefilms.

Lize Spit
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1