Wat waar zou moeten zijn

Florian Myjer
Over de Auteur

© Laura Bakker

Florian Myjer (1992) studeerde aan de Toneelacademie in Maastricht. Samen met Kim Karssen maakte hij in 2017 de voorstelling Bloomsbury, over de artistieke Bloomsbury Group, en in 2019 voor Frascati Producties de voorstelling Oorlog en Vrede, naar de roman van Tolstoj. Die voorstelling is genomineerd voor de (nog niet uitgereikte) BNG Bank Theaterprijs 2020 en te zien op het Nederlands Theaterfestival 2020. Momenteel werkt het duo aan een nieuwe productie over de schoonheid van banaliteit.

Voor de meeste mensen worden eerste keren gedurende hun leven steeds schaarser.
Gelukkig ben ik altijd vrij zuinig geweest met mijn eerste keren.
Ik heb ze altijd zo lang mogelijk proberen uit te stellen, te bewaren.
Ik heb ze gekoesterd en gepoetst.
Gewacht op het juiste moment.
Als kralen in een tinnen kistje.

Wanneer ik in bed lig, kijk ik naar de schouw aan het andere einde van de kamer, waarop mijn tinnen kistje ligt.
Daar zitten ze in! denk ik dan.
Mijn eerste keren.
Te wachten op het moment dat ik er klaar voor ben.
Een kistje vol verlangen.

Ik heb er nog best veel over, zeker voor mijn leeftijd.
Ik vond het vaak te vroeg om een van mijn eerste keren op te geven, in te wisselen.

Ik heb het heus wel een aantal keer gedaan.
Je wilt ook niet té raar zijn.

Dus af en toe, het tinnen kistje dat ik met tegenzin openmaak, waarin mijn omgekeerde herinneringen liggen.
Mijn glinsterende kralen.
Ik haal er één uit, hou ’m tegen het licht.
Lever ’m in.
En ik weet zeker dat ik ’m nooit meer terug zal zien.

Wat ik ervoor terugkrijg:
Een beetje volwassenheid.
Misschien wat kennis of ervaring.
Maar meestal toch gewoon een desillusie.
(Die koester ik overigens ook, zij dartelen in een weckpot naast het tinnen kistje.)

Het lijkt soms wel een transactie: ik ruil een van mijn kralen in voor een diplomaatje.
‘Ik hoor er nu ook bij.’

Stiekem is het nog steeds mijn droom te sterven als de persoon die erom bekendstaat dat hij de grootste verzameling nog niet gebruikte eerste keren heeft.

Ingelost verlangen is namelijk een eindstation.
Niet-ingelost verlangen biedt hoop en verbeelding.
Hoe leger mijn kistje, hoe minder verlangen, hoe minder hoop.

Dat betekent niet dat ik in mijn lange leven niets heb meegemaakt.
Soms ontglipt een eerste keer je.
Lever je hem per ongeluk in.
En dan is die kraal, die je voorheen tussen je vingers kon houden, verdwenen.
Tussen je duim en wijsvinger niets dan lucht.
Zo, opeens, is er iets wat je nooit meer voor de eerste keer kan zien.
Nooit meer kan ont-zien.

Zoals die keer op ‘de plek’.
Een keer per jaar komen we hier samen, met Kerstmis.

De plek is een landhuis, al jaren in de familie.
Op dat moment ondergebracht in een stichting, als laatste poging om het uit handen te houden van projectontwikkelaars en hotelketens.
Een strijd die we inmiddels hebben verloren.
De familie is groot en vertakt, en iedere aparte tak van de stamboom heeft zijn eigen moment in het jaar waarop het gebruik mag maken van het landhuis.

Kerst is het moment voor onze tak.
Geen lome zomeravonden dus, maar ijskoude badkamertegels en bedden die maar niet warm worden.
Maar ook knapperende haardvuren en met z’n allen op de bank.
Marshmallows en ieder jaar dezelfde videobanden opnieuw bekijken.

Ik ben acht en ik ben de jongste.

De plek ligt in het oosten van het land en heeft een lange oprijlaan, zoals dat hoort.
Wanneer we daar ieder jaar met de auto aankomen, ik met mijn zus op de achterbank, en over de slingerende weg het landgoed oprijden, houdt het huis zich tot op het laatste ogenblik achter rododendronstruiken verborgen.
Totdat het zich opeens aan ons toont.
Open en warm, met goudgeel verlichte ramen.
Alsof het een heel jaar op ons heeft gewacht.

Dit is geen standaardlandhuis, dat zwaar en stoffig op je neerkijkt.
Waar je je altijd te gast voelt.
Dit landhuis is jong van geest.
Jolig misschien wel.
Het is crèmekleurig en heeft veel weg van een uit de kluiten gewassen grachtenpand.
Net iets te onhandig opgerekt.
Te groot, te log.
Dit landhuis is een olifant in een porseleinkast en dat is het al vele honderden jaren.
Daarom houden wij er zo van.
Daarom kunnen we er geen afstand van doen.
Ze is ouder dan wij maar kent een lichtzinnigheid die wij allemaal ontberen.

Aan de voorkant een uitgestrekt grasveld.
Nauwkeurig bijgehouden door de opziener die zelf in een klein huisje in het bos woont.
En door Pablo, zijn neef, die bij hem woont.
Pablo is een paar jaar ouder dan ik, we zien elkaar één keer per jaar, maar Pablo is in dat ene jaar dat ik hem niet heb gezien, hoe zou ik het zeggen, gegroeid.
Dat is het enige woord dat ik kan bedenken.
Zijn lichaam is gegroeid.
En op dat lichaam zit opeens een zwart donzig snorretje, dat er de vorige Kerstmis niet was.
Voor de rest heeft hij nog steeds hetzelfde zwarte haar, de olijfgroene ogen, de lichtbruine gespierde huid.
Je zou kunnen zeggen dat Pablo het tegenovergestelde is van mij.
Zo heeft Pablo brede schouders van al het werk op het land.
Ik heb geen schouders, mijn nek loopt rechtstreeks door naar mijn armen.

Aan de linkerkant van het huis ligt de ommuurde tuin.

Voor de volwassenen een plek waar kruiden groeien.
Voor mij, als achtjarige, ‘de geheime tuin’.
De kaarsrechte perken van rozemarijn en lavendel, met daartussen de hagelwitte paden van vermalen schelpen.
Voor mijn ouders, ooms, tantes, neven, nichten is het een praktische plek.
Waar bij zonsondergang nog even snel wat kruiden worden gehaald om het avondeten een extra zetje te geven.
De rest van de tijd komt mijn familie er niet.
Het is de oudste plek van het landgoed.

Voor mij en mijn grootmoeder is het een magische plek.
Wij geloven namelijk allebei in magie.
Ze brengt me altijd in slaap met de woorden uit haar favoriete toneelstuk:
‘Magie, magie. Niet wat waar is, maar wat waar zou moeten zijn.’

Eén keer per jaar gelooft de rest van de familie ook in magie.
Volgens oud familiegebruik voeren we op kerstavond een toneelstuk op in deze tuin, altijd hetzelfde toneelstuk.
Er staat sinds jaar en dag een marmeren verhoging naast de laurierperken waar we ons spektakel opvoeren.
Lampionnen in de bomen, damp uit onze mond.
De jeugd speelt, mijn grootmoeder regisseert.

We staan daar op het marmeren podium.
Met lakens hebben we kostuums gemaakt.
Ik heb een deegroller in mijn hand, die dienstdoet als wapen en als microfoon.
Onze ouders zitten op klapstoeltjes tussen de kruiden.
Mijn grootmoeder zit vooraan.
Midden in haar gerimpelde gezicht kijken haar grijsblauwe ogen me fonkelend en bemoedigend aan.

We spelen de sterren van de hemel, dat doen we ieder jaar.

Precies in het midden van het toneelstuk zit een tableau vivant: in een groepsscène, een heftige ruzie, stoppen we opeens met praten en staan we stil, bevriezen we.
Het is mijn lievelingsmoment.
Ieder jaar weer.
Onze grootmoeder heeft ons zo geregisseerd dat we in onze bevroren pose in stilte tot zestig tellen.
Daarna moeten we weer doorgaan alsof er niets aan de hand is.
Het is een kunstgreep en ik snap er niets van, maar ik vind het fantastisch.
Ik tel in mijn hoofd.
Probeer geen enkel lichaamsdeel te verroeren.
Plotseling begint m’n pink te trillen, maar ik hou m’n blik strak gericht op het landhuis, in de hoop dat dat het trillen doet stoppen.
Ik tel door.
En terwijl we daar staan, in onze lakens, begint het te sneeuwen.
Ik voel de vlokken op mijn blote armen.
Eerst koud, daarna smelten ze.

En terwijl ik daar sta, zie ik licht aangaan in het landhuis.
Het is de badkamer op de eerste verdieping.
Mijn badkamer.
Pablo komt binnen.
Doet de douche aan.
Kleedt zich uit.
En gaat naakt onder de straal staan.
Het water stroomt over zijn pezige, zongebruinde schouders.
De volwassenen kunnen het niet zien, want ze zitten met hun rug naar hem toe.
Mijn neefjes en nichtjes, mijn zus, zijn zo gepositioneerd dat ook zij het landhuis niet kunnen zien.
Alleen ik zie het.
En Pablo ziet mij.
Hij kijkt mij aan en zijn blik laat me niet los.
Er is nog een blik op mij gericht, die van mijn grootmoeder.
Ik durf mijn ogen niet van Pablo af te wenden, maar ik voel dat ze naar mij kijkt.
Dat de twinkeling in haar ogen groter is geworden.
Op mijn huid smelt de sneeuw.
Het zijne raakt steeds meer gehuld in damp.
En daarmee ook de badkamer, de ramen.
Ik tel door.
Hij wordt steeds vager.
Ik wil niet dat hij verdwijnt.
Ik wil niet dat dit gevoel verdwijnt, dat ik voor de eerste keer voel.
De eerste keer verlangen, die ik nu voor de zoveelste keer ervaar.

En plotseling is ie er weer: de realiteit.
Ik kijk naar m’n gerimpelde handen, m’n vingers.
Waarin ik ’m vasthou: deze kraal.
Wat vindt u ervan?
Van dit onvervuld verlangen?
Ik bekijk hem en hou hem tegen het licht.
Hij schittert, misschien iets té.
Maar dat is nou eenmaal het geval met onvervuld verlangen, met hoop, met verbeelding.
Die blinken altijd net iets te hard.
Toch?
Harder dan de realiteit.
Voor mij geen eerste keren, maar schitterende kralen.
Blinkend op mijn schouw.
Magie, magie, niet wat waar is, maar wat waar zou moeten zijn.

Florian Myjer
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1