Zure uitjes

Anna Woltz
Over de Auteur

© Carli Hermes

Anna Woltz (1981) schreef als vijftienjarige een jaar lang columns voor De Volkskrant over haar leven op school. In 2002 kwam haar eerste kinderboek uit: Alles kookt over (Leopold). Woltz heeft inmiddels vierentwintig boeken op haar naam. Mijn bijzonder rare week met Tess (Querido, 2013) werd bekroond met een Vlag en Wimpel van de Griffeljury; de bioscoopverfilming oogstte in binnen- en buitenland veel lof én prijzen. Honderd uur nacht (Querido, 2014) won de Nienke van Hichtum-prijs, Gips (Querido, 2015) werd bekroond met een Gouden Griffel. In december 2018 was er een serie gebaseerd op Gips op televisie en voor de Kinderboekenweek 2019 schreef Woltz het Kinderboekenweekgeschenk Haaientanden.

annawoltz.nl

Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik iets doe wat zó verboden is. Het mag niet van mijn ouders, maar het is ook verboden door de mannen in donkere pakken die nu elke week om zeven uur ’s avonds vertellen wat er nog méér niet mag. Totaal live, dus je kunt de saaie stukjes niet doorspoelen.
Muisstil sluip ik over het vochtige gras. Boven mijn hoofd fonkelen sterren, ik ruik appelbloesem, de banden van mijn rugzak snijden in mijn schouders. Flitst er straks opeens een schijnwerper aan? Gaat er een alarm af? Er gebeurt niks.
Buiten adem sta ik voor zijn raam. Mijn bloed raast door mijn lijf, ik voel me zo ongelooflijk levend dat ik niet kan geloven dat ik ooit dood zal gaan. Voorzichtig tik ik tegen het raam. Eerst zacht, dan harder. Meneer zijn dag-nachtritme is omgedraaid, stond er gisteren bij de opmerkingen in het onlinedossier. Dat komt nu goed uit.
Het raam gaat open.
‘Opa!’ fluister ik. ‘Ik ben het, Riss.’
Ik heb hem al meer dan vier weken niet gezien. Van het videobellen werd hij woedend, hij sloeg de telefoon grommend weg. Een week later werd ‘raambezoek’ ook verboden, omdat roekeloze mensen de hand van hun vader of moeder hadden vastgepakt.
‘Ik kom op bezoek,’ fluister ik.
‘O ja?’ Opa schraapt zijn keel. ‘Mag het weer?’
‘Nee. Maar ik heb twee weken lang niemand aangeraakt. En ik heb zure uitjes meegenomen.’
Hij kan me niet naar binnen hijsen. Ik laat mijn rugzak in zijn kamer ploffen, schaaf mijn knieën aan de buitenmuur, lig hijgend met mijn buik op de vensterbank, en dan lukt het eindelijk om naar binnen te klimmen.
‘Zo,’ zegt opa. ‘Kom maar op met die uitjes.’
Ik sta in de donkere kamer die ruikt naar verlepte bloemen en oude man. Zonder iets te zeggen, pak ik zijn hand met de kromgegroeide vingers vast. Zijn vel is zacht en droog, het voelt alsof je het er zo af kunt wrijven.
‘Uitjes!’ zegt opa.
Ik leid zijn rollator naar de leunstoel en pak de glazen pot uit mijn rugzak. De afgelopen dagen heb ik stiekem mueslirepen en pakjes sap en bananen verzameld. En vijf schone onderbroeken. Ik weet nog niet hoelang ik hier blijf.
‘Hoe gaat het thuis?’ vraagt opa met volle mond.
‘Het is zó stom,’ fluister ik. ‘Ik wil papa en mama nooit meer live zien en ik wil mijn vriendinnen nooit meer op Zoom zien. We hadden een gekalligrafeerd lesrooster in de keuken gehangen, met al mijn schoolwerk erop, en yoga en conferencecalls voor mama en Spaanse les voor papa en pauzes met gember-spinaziesmoothies. Maar na drie dagen liepen we zo achter dat we het hele rooster verscheurd hebben.’
Opa grinnikt.
‘En we missen jou,’ zeg ik.
Ik bijt op mijn lip, want al die andere dingen wil ik niet zeggen.
We zijn bang dat je ziek wordt.
We zijn bang dat je doodgaat zonder dat we dag, je was zo lief kunnen zeggen.
We zijn bang dat je nu blijft leven, maar dat je over een halfjaar tóch doodgaat, en dat we dan zo veel maanden minder opa hebben gehad dan mogelijk was.
‘Papa en mama willen je hier niet weghalen,’ zeg ik. ‘Dat past niet in het lesrooster. Dus nu kom ik bij jou. De hele nacht kunnen we dammen en dropjes eten. En ik wil horen over de piano van oma Clarissa en over peuterpapa die pissebedden at en over die keer dat je ging kamperen in Frankrijk en een spion ontmaskerde.’
‘En wat doen we overdag?’ vraagt opa.
‘Dan verstop ik me in je klerenkast. Daar kan ik best slapen, als ik mijn knieën optrek. Ik heb eten bij me en vijf schone onderbroeken.’
Opa is een hele tijd stil.
‘Pak het dambord maar,’ zegt hij dan.

‘Riss!’ Iemand schudt zachtjes aan mijn arm. ‘Clarissa… Wakker worden, meisje!’
Voordat ik mijn ogen opendoe, denk ik twee seconden dat de wereld weer normaal is. Dat ik straks gewoon naar school moet. Dat je zonder nadenken naast een ander mens kunt staan, dat ik geen idee heb hoeveel bedden er bezet zijn op de ic.
Maar dan doe ik mijn ogen open. Ik lig naast opa in zijn smalle verpleeghuisbed. Door het open raam hoor ik vogels uitgelaten lenteliedjes fluiten. Het is de mooiste aprilmaand van mijn leven.
‘Ze komen me over een kwartier wakker maken,’ fluistert opa. ‘Riss, het is tijd om naar huis te gaan.’
‘Naar huis?’ Ik ga rechtop zitten. ‘Naar de klerenkast, bedoel je! Ik blijf bij jou, weet je nog?’
Opa glimlacht. Boven op zijn hoofd is hij kaal, het haar opzij is wit en piekt alle kanten op.
‘Door deze nacht,’ zegt hij, ‘kan ik er weer tegen. Maar wat denk je nou? Dat ik jou hier in de kast ga laten wonen? Je bent elf, je moet buiten rennen.’
‘Maar het is niet eerlijk!’ Ik bal mijn vuisten. ‘Ze houden je hier gevangen! Misschien wil je wel helemaal niet maandenlang alleen zitten zonder ziek te worden…’
‘Misschien niet,’ zegt hij rustig. ‘Maar niemand heeft ooit gezegd dat het eerlijk zou zijn.’
‘Toen je hier kwam wonen, bedoel je?’
Hij grinnikt. ‘Toen ik werd geboren.’ Hij klopt met zijn hand op mijn arm. ‘Jij begint pas net. Toen ik elf was, rende ik ook buiten. Dus als je zo graag wilt dat het eerlijk is, dan doe jij dat nu ook. En maak een nieuw schema voor in de keuken.’
Hij drukt op de afstandsbediening en het hoofdeinde van zijn bed zoemt omhoog.
‘Laat je moeder eindelijk weer pianospelen. Sleur je vader weg van de computer en laat hem in de tuin werken. Hij houdt nog steeds van pissebedden.’
‘En ik?’ vraag ik zacht.
‘Boven op jullie zolder ligt een hele berg rotzooi van toen ik hiernaartoe verhuisde. Als het goed is, ligt mijn oude tent er ook bij. Dus jij gaat straks naar huis, en dan zoek je die tent op. En dan neem je die idioot volle rugzak van je mee, en dan ga je kamperen in de tuin. Zonder je ouders, zonder je telefoon, zonder lesrooster.’
‘Zal ik een spion ontmaskeren?’
Opa knikt. Hij pakt mijn hand zonder rimpels en geeft een kusje op mijn vel dat nog stevig vastzit. ‘Ja, nu is het jouw beurt. Maak er een avontuur van.’

Anna Woltz
Video
Delen

Uw naam

E-mail

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

Share

E-mail

Facebook

Twitter

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan

E-card

Uw naam

Uw e-mail adres

Naam ontvanger

E-mail adres ontvanger

Uw bericht

Verstuur

1